WANDELINGEN OP ZORGVLIED

 

De vorst heeft bijna het loodje gelegd, de lente is in aantocht. Eekhoorns ontwaken uit hun winterslaap, vogels zijn naarstig op zoek naar voedsel, dat hun vermagerde lijfjes weer een weldoorvoed uiterlijk zal geven. En mensen kunnen weer zonder glijpartijen hun dierbaren bezoeken. En straks zullen de bomen weer uitlopen, de bloemen en struiken weer bloeien en de fazanten weer paren op de grafzerken. Leven op een begraafplaats, een contra dictio in terminis?
Wat is leven, wat is dood. Fysiek gezien komen we er wel uit.
Maar de begrippen dood en leven houden meer in dan alleen ademend en ademloos.
Ook onder de levenden zijn er veel ‘doden’. Als mensen niets meer willen, alleen hun tijd maar uitzitten, vastgeroest zijn in hun opvattingen, alleen maar willen houden wat ze hebben, kun je spreken van levend dood. Ze ademen nog wel, ze eten en drinken en ze bewegen zich fysiek voort, maar dan heb je het ook wel gehad.
Leven is ook niet simpel, ook en vooral niet in onze welvarende wereld. Misschien gaat van onze wereld juist wel de grootste bedreiging uit; het meer dan genoeg hebben en het ook zo willen houden. Wij, mensen van de eerste wereld, lopen niet meer zo warm voor activiteiten, die de leefomstandigheden van anderen kunnen verbeteren. Ze interesseren ons niet eens. We hebben genoeg aan onszelf, zeggen we. En we verkrampen en houden wat we hebben angstvallig vast. We ‘leven’ als doden. We hebben ons natje en droogje,
wat willen we nog meer? Welvaart heeft ook z’n dodelijke kanten. Misschien moeten deze mensen eens gaan wandelen op Zorgvlied en zien en horen hoe het leven daar zich na de koude winter weer oppakt. Hoe ieder voor zich en gezamenlijk voor allen bomen, bloemen, vogels, konijnen, wormen, vissen en andere dieren hun paradijs weer in bloei zetten, nieuw leven ontwikkelen en dat met een enthousiasme, waar wij een puntje aan kunnen zuigen.
Je ziet het leven er niet alleen, je ruikt het ook en voelt het door je aderen stromen. Je maakt het mee, van binnen. Het is een wonder boven wonder.

Rob de Groot